Haegsche kronieken 10

Erica TerpetijnOnder het geestverrijkende motto ‘s-Graevenhaege ook een museum voor Schone Kunsten van internationaal niveau, en dat nadat de president van de Benedenscheetse eilanden Bami Happie het hoofdstedelijk Museum voor Schone Kunsten bezocht had, belde de burgemeester van ‘s-Graevenhaege Jos Aars mij met opgewonden stem op met het dringende verzoek mijn faam als geroemd algemeen connaisseur aan te wenden, zodat ook de Hofstad een gerenommeerde status in de moderne kunst zou verwerven.

En omdat dat een lieve duit zou kosten, stuurde Jos meteen een verzoek tot subsidiëring aan Jos. Die zich bij de ontvangst daarvan het apenzuur schrok vanwege het enorme prijskaartje dat eraan bleek te hangen. Dus ging Jos subiet met Jos in overleg over de manier van financiering van het grootste Haegsche kunstplan aller tijden. Dat Jos daarbij een paar keer om Jos van de noodzaak van de totstandkoming van het project te overtuigen met de vuist op tafel sloeg, deed Jos dan ook beven van ontzetting. Toen Jos dan eindelijk een gemeentelijk schrijven van de hand van Jos kreeg, waarin stond te lezen dat Jos het verzoek tot subsidiëring van Jos toch zou honoreren, deed dit Jos dan ook achteroverslaan van verbazing. Waarbij zowel Jos als Jos een flink bult op het achterhoofd opliepen.

Dus toog ik maar weer naar het Haegje om mijn diensten aan te bieden, waarbij ik onderweg tot mijn grote verwondering Erica Terpetijn, die in haar Mini ook op weg was naar het Haegje, zodanig schepte, dat voorbijgangers meenden dat Jos het wederom gedaan gekregen had een avant-gardistisch sculptuur aan de openbare weg toe te voegen. Enkele Japanse toeristen stonden het object dan ook meteen te fotograferen.

Mochten de lezers een kobaltblauwe Mini op de weg tegenkomen met uit beide portierraampjes gezette ellebogen en op de hoedenplank een vogelnest naar het ontwerp van couturier Hans Werner Drollenberg, weet dan dat Erica de chauffeuse van het vehikel is en dat gepaste actie gerechtvaardigd is.

Mijn komst in het Haegje bleek zeer gewenst, want Jos stond te popelen mij eerbiedig door de eerste Haegsche Biënnale, dat het opstapje moest zijn voor het Museum voor Schone Kunsten, te loodsen.

Nou, dat “schone” viel hier en daar tegen, want de befaamde Duitse kunstenares Hildegard Ströntchen toonde een meesterwerk waarbij een wasknijper op de neus geen overbodige luxe bleek te zijn. In een fraai in aardverfkleuren vervaardigde uiting van conceptuele kunst, lag daar haar beddenlaken na een al te overmatig gebruik van een laxeermiddel artistiek gedrapeerd.

Annabel Aars, die zelf ook zeer kunstzinnig is en al dertien jaar aan een geborduurde versie op ware grootte van de Nachtwacht naait, voegde zelf ook een kunstwerk aan het kunstwerk van Hildegard Ströntchen toe door haar die middag geconsumeerde canapeetjes Beluga over het laken uit te kotsen.

Het werk van de aanstormende Nederlandse kunstenaar Lodewijk Pareldrek mocht er ook zijn. Een tien meter lange zwarte streep op een wit fond. Maar zo exact neergezet, dat de toeschouwers vol verbijstering het werk bekeken. Dat de sjouwers het werk zonder te verbuigen binnen gekregen hadden, moet een enorme opgave geweest zijn.

De kunstenaar gaf zelf explicatie over zijn inmiddels zeer geroemde werk, en vertelde de nieuwsgierige kunstliefhebbers dat hij er maar liefst zeven jaar aan gewerkt heeft. Alleen al het ontwerp heeft een jaar in beslag genomen. En hij kon zijn fans dan ook verblijden met de mededeling dat hij bezig is met een cirkel, waaraan hij naar schatting nog vijf jaar moet werken. Mits zijn subsidieaanvraag gefiatteerd wordt voor de halfjaar durende studiereis naar de Polynesische atol Rondikondi, waar de mens voor het eerst het verschijnsel cirkel ontdekte.

Het volgende werk op de catalogus stond onder de dynamische titel Lacune vermeld. En ik moet de lezers dan ook bekennen dat er niets van te bekennen viel. En dat was dan ook exact wat de Deense kunstenaar Nöke Löteflöt ermee bedoelde. Het uitbeelden van de ultieme leegheid waar de moderne mens onder gebukt gaat. Het werk bestaande uit een omkaderd niets, maar geheel naar eigen conceptueel ontwerp, ademde een waardige leegte. Voordeel van deze kunststijl is dat het ook niet te vernielen valt.

En dat was met het volgende kunstwerk echter wel het geval, want Annabel vloog er bij de eerste aanblik meteen op af om zich een glas wodka met ijs en een schijfje citroen klaar te maken. Want Annabel mag dan geheelonthouder zijn, maar van alles dat ze weet te onthouden, was ze dat nu juist vergeten.

Maar de clou van het kunstwerk was dat het geen bar maar een kunstwerk van de veelgeroemde Oezbeekse kunstenaar Delirium Tremenski was. Waarmee hij de geestelijke neergang van het verdorven Westen wilde uitbeelden. Dat Annabel met het zich vergrijpen aan het kunstwerk een schadepost van twee ton veroorzaakt had, zou Jos er weer toe verplichten bij Jos aan de bel te trekken voor een subsidieverhoging.

Omdat Annabel en Jos inmiddels over hedendaagse kunst zo op het verkeerde gezet waren, beslopen ze met uiterste voorzichtigheid het gebeuren dat Jos meende te herkennen als een echte Cappuccino. Zo levensecht naar het leven gemodelleerd, dat je er ook echt mensen aan de koffie zag. En Jos vroeg me dan ook meteen een uitvoerige explicatie te geven over dit kunstwerk. En omdat het geen kunstwerk betrof maar gewoon een koffiebar zoals je die in ieder museum aantreft, besloot ik maar de waan overeind te houden en met diepzinnig gefronste wenkbrauwen uiteen te zetten dat de kunstenaar Cappuccino er de Westelijke uitbuiting in de koffiebranche mee bedoelde te verbeelden.

Toen Jos uiterst voorzichtig naderbij sloop om de boezem van de dame achter de koffiebar nader te bekijken, sloeg het mens hem naast de bult die hij al bij de subsidieaanvraag opgelopen had nóg een bult op zijn hoofd, zodat Jos op dat moment de enige burgemeester in het land was met een kameelvormig hoofd.

Ook de in ons land inmiddels bekende kunstenares Slettebel, die haar faam verworven had doordat ze haar marmot levend door een wringer gehaald had om die vervolgens als een gouache te exposeren, was met een bijzondere stellage op de Biënnale vertegenwoordigd.

Tot overmaat van ramp had Erica inmiddels de Biënnale weten te bereiken, zij het strompelend en op het laatste moment neerzijgend op de artistieke stellage van Slettebel. En dat bracht de kunstenares op het lumineuze idee de driedimensionale Erica door de wringer te halen en haar als eendimensionale nieuwe interpretatie van Het Melkmeisje van Vermeer aan de biënnale toe te voegen.

Dat Erica, die net terug was van weggeweest van haar laatste reisje in het kader van de goed bekeken reisserie Erica op de bezem van de Oudjesomroep, toch weer de honneurs kon waarnemen, was op zich al een groot wonder.

Op bezoek in de Volksrepubliek Oetiepoetipoeti, bekeek ze de aanpak van de bejaardenproblematiek in dat land. En die mag er zijn, want de oudjes stellen zich – zodra de leeftijd van 65 bereikt is –  vrijwillig ter beschikking aan de voedselindustrie, zodat het mes er aan twee zijden snijdt. Er is geen bejaardenoverschot, en voedsel is altijd in voldoende mate voorhanden.

Maar het had weinig gescheeld of Erica was zelf ook ten offer gevallen aan deze niet geheel onsympathieke aanpak van het bejaardenprobleem. Bij haar bezoek aan een worstfabriek hadden employees haar bij de keel gegrepen om worst van haar te bereiden, maar eenmaal ontkleed waren die zich doodgeschrokken over welk vlees ze in werkelijkheid in de kuip hadden en was Erica met de schrik vrijgekomen.

Had Erica zich kunnen ontworstelen aan de worstmakerij, inmiddels had ze zich ook kunnen verlossen van de wringer van Slettebel en was ze op handen voeten naar het meest recente kunstwerk van Tinus W. Bootsman gekropen, de inmiddels in alle dagbladen beschreven Appelmoesvloer. Daar wist ze het drie ton kostende kunstwerk zodanig met een borstcrawl te vernielen dat de Biënnale in grote commotie ontlaadde.

Van dat moment maakte ik handig gebruik om bij het koude buffet van gelouterde cateraar Maison Henri Snott een greep in de koeler met Krug Clos Du Mesnil 1995 (562,50 euro de fles) te doen en met onder elke bezwete oksel een koele fles geklemd richting huis te snellen om verlag toe doen van deze belangrijke Kunstbiënnale. Waarvan akte.

Indien nog op voorraad zijn eerdere edities van de Haegsche kronieken op onderstaande adressen te verkijgen:

https://filantropius.wordpress.com/2013/09/15/haegsche-kronieken/

https://filantropius.wordpress.com/2013/09/29/haegsche-kronieken-2/

https://filantropius.wordpress.com/2013/10/05/haegsche-kronieken-3/

https://filantropius.wordpress.com/2013/10/20/haegsche-kronieken-4/

https://filantropius.wordpress.com/2013/12/10/haegsche-kronieken-5/

https://filantropius.wordpress.com/2014/01/02/haegsche-kronieken-6/

https://filantropius.wordpress.com/2014/02/27/haegsche-kronieken-7/

https://filantropius.wordpress.com/2014/03/16/haegsche-kronieken-8/

https://filantropius.wordpress.com/2014/04/06/haegsche-kronieken-9/

 

Advertenties

One Comment to “Haegsche kronieken 10”

  1. Satire uit het leven gegrepen.
    Ik begrijp ook geen bal van de zwaar gesubsidieerde “tegenwoordige kunst”.
    Het is zoals de schrijver vermeldt: kunst is het uitbeelden van de ultieme leegheid van de moderne mens!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: