Archive for ‘carloadofdogs’

april 9, 2014

Indische schetsen (3)

Indische schetsen 3Het hotel Shutte Raaff, dat naast de Grote Willemskerk op het Koningsplein in Batavia was gelegen, bestaat niet meer, alleen nog wel in mijn herinnering.

Wij hebben enige maanden in het hotel Shutte Raaff moeten bivakkeren, terwijl mijn vader naar een klein huisje zocht dat wij konden huren. Wij waren niet de enige familie die een woning zocht; het was niet makkelijk. In het hotel hadden wij 2 kamers en van een kennis konden we een kinderbedje lenen waar mijn zusje in sliep. Dat bed diende ook als box en zo kon ze van daaruit mij op de grote veranda en de treden die er naartoe leidde met andere kinderen zien spelen.

Op een dag was ik jarig. En dit is echt de eerste verjaardag die ik me nog kan herinneren. Ik kreeg dan ook een enorm groot cadeau. Het was een autoped op luchtbanden. Zoiets moois had ik nog nooit gezien. Ik moest wel even leren hoe je zo’n ding moest bedienen, maar weldra maakte ik het leven voor de hotelgasten onveilig, want racete zo door de gangen en over de veranda’s met mijn autoped. Een keer had ik te veel vaart en ben zo hobbeldebobbel de treden afgeroetscht tot grote schrik van mijn moeder, want ik zat meteen onder de schaafwonden.

Een ander specifiek moment was een aardbeving. Mijn vader was ziek en lag op bed en ik lag daar gezellig met hem te kletsen toen opeens het bed begon te schudden en ik er af sprong. Maar op de grond bleef ik bewegen omdat deze onder mij golfde.

Pa zei:”Oh, dat is niets, een beetje beving van de aarde, komt vaker voor”. Het werd weer rustig, de beving was voorbij. Ik weet niet meer of er dingen op de grond waren gevallen.

Eindelijk kon Pa een huisje bemachtigen. Hij kende een dokter, die weer naar Holland vertrok en toen konden we zijn huis huren. Dit was een snoezig paviljoentje, het lag 25m van de weg af en had een grote tuin, tenminste groot in de ogen van een klein kind. Bij een vendutie kon mam nog wat spulletjes kopen en weldra begonnen wij een normaal gezinsleven.

Daarbij hoort een school. Mijn moeder had een fiets gekocht en die had een bagagedrager, waarop een houten kinderstoeltje werd gebonden en zo kon ik op dat stoeltje achterop de fiets naar school gebracht worden. Ik moest mijn eigen stoel meenemen naar de freubelschool. Ik vond het er enig leuk, vooral omdat er zoveel kinderen waren om mee te spelen. Ik was nog wel wat verlegen, maar kon weldra mee doen met matjes vlechten, muizentrapjes vouwen, zingen en buiten spelletjes doen. Voor mijn zusje zal het wel saai geweest zijn, want ik was elke ochtend een paar uurtjes weg.

Aan de overkant van de weg, die de Van Heutsz boulevard heette, maar helemaal niet aan zee lag, woonden aardige mensen met twee zonen. We gingen daar veel theedrinken en de vrouw, die we tante Puck mochten noemen, maakte altijd heerlijke gebakken zoete aardappel als hapje. Met de jongens klom ik in hun boom, waar ze een cubby huisje hadden. Haar man, die we Oom Pim mochten noemen was een verwoed duiker en had een hele verzameling koraal. Ik vond het prachtig.

Op een zondag gingen wij met hun mee een boottochtje maken naar een van de honderden eilandjes voor de kust bij Batavia, waar hij koraal opdook. Dit bootje ging naar Hoorn of Onrust. Achter aan het bootje hing een net waar je op kon liggen en zo boven het water kon bungelen en lekker nat kon worden van het opspattende zog. De jongens en ik mochten daar ook even vertoeven, maar eigenlijk vond ik het maar angstig. Eenmaal bij het koraaleiland aangekomen moesten we rubber schoentjes aandoen want we konden alleen maar zwemmend naar het strand komen. Er zaten namelijk enorm veel zee-egels op de bodem en die konden gemeen steken. Ik had een bandje om en zo kon ik veilig naar het strand. Hier zag ik inderdaad mensen zitten die uiteinden van zee-egel naalden uit hun voeten en benen moesten halen. We mochten de hele middag op het eiland rondlopen. Het was een geweldige ervaring om dat allemaal meegemaakt te hebben.

Advertenties
maart 30, 2014

Indische schetsen (1)

imageEen platje is eigenlijk een overdekt terrasje, iets breder dan een veranda. In de tropen woont men buiten en de zitkamer binnen wordt eigenlijk weinig gebruikt. Die van ons was min of meer een doorloopvertrek, aan twee kanten openslaande deuren, een deur naar de slaapkamer van mijn ouders en aan de andere kant liep de zitkamer in de eetkamer over.

Het platje was aan de voorkant van het huis. Het functioneerde als zitkamer, waar we ook onze gasten ontvingen. Er gebeurde zoveel op het platje. Wij speelden er op de grond of op de treden die er heen leidden. In de namiddag dronken we er thee en vader las de krant. Net voor de duisternis werd het dan tijd voor een biertje. Inmiddels hadden mijn zusje en ik dan gebaad en waren wij schoon en gereed om aan tafel te gaan. We aten in de eetkamer.

Maar soms in het weekend kwam familie of vrienden langs en dan was het voor ons kinderen feest. De mensen kwamen op de thee, bleven een biertje drinken en dan was het uitkijken en luisteren naar de toekan sate. Je hoorde hem al van verre komen. Een hoog schril sate-geroep betekende dat hij in aantocht was. Vader liep dan, als het geluid dichterbij kwam naar de weg en wenkte de man op het erf te komen. Wij waren gefascineerd door dit ritueel. Hij zette zijn drager neer en maakte in een rooster een houtskoolvuurtje klaar. Hierop werden de satéstokjes met gemarineerde kip of varkensvlees geroosterd. De geuren waren betoverend. Op een ander vuurtje had hij een wadjan waarin hij de satesaus opwarmde. De eerste ronde was klaar en er kwam een schaal die met de stokjes gevuld werd. Het mannetje zat geduldig gehurkt te wachten tot er meer besteld werd, terwijl hij zachtjes zijn vuurtje met een kiepas aanhield. Zo in het duister naast het platje gaven die lichtjes van het vuur een sprookjesachtige vertoning. Op zo’n avond werden de zintuigen gestreeld. Na de eerste ronde moesten wij kinderen naar bed, terwijl de ouderen nog tot diep in de avond doorkletsten en lachten. Dat konden wij in bed allemaal horen en er was geen gezelliger geluid om bij in slaap te vallen.

In het weekend hielden mijn ouders siësta en wij moesten daar onder lijden. Maar we hielden ons muisstil en kropen ons bed uit, slopen door de zitkamer en gingen op het platje spelen. Het enige wat niet te veel lawaai zou maken was daar met een krijtje op de tegels boter, kaas en eieren te spelen. Of was het melk, boter en kaas? Dat weet ik niet meer. Wij noemden het noughts and crosses. Als we dan onze ouders hoorden opstaan, renden wij naar ons bed en pretendeerden ook geslapen te hebben.

Ook in de regentijd was het platje een uitkomst. Je kon buiten zijn en “droog” blijven, alhoewel alles toch vochtig was. ‘s Avonds stond een olielamp op de tafel van het zitje en het licht werd een trekpleister voor allerlei ongedierte dat zich ertegen te pletter vloog. Bepaalde tijd van het jaar wemelde het elke avond van larongs, vliegende mieren. De volgende ochtend kon je de vloer op het platje niet meer zien door alle vleugels die erop terechtgekomen waren. Waar de mieren bleven is me nooit duidelijk geweest. Waarschijnlijk wel door tjitjaks opgepeuzeld.

Wij hadden geen ijskast, maar een ijskist. Dit was een rechthoekige houten bak op poten, gevoerd met lood. Er was een deksel aan de bovenkant die je als een kist opende. Onderaan de kist was een kraantje, waar het water uit kon lopen als je de stop binnen in de bak er uittrok. Er kwam eens in de week een toekan es (een ijsman) langs, die uit zijn wagen een staaf ijs haalde, die hij op een jutezak op zijn schouder en tegen het hoofd, naar onze ijskist bracht, waarbij hij over het platje en door de zitkamer heen liep, want de ijskist stond op de achterveranda. Ik vond dat altijd een prachtig gezicht hoe die man zo met dat ijs sjouwde. Hij moest hem daarna in drieen hakken om in de kist te passen. Dan gingen de drankjes, boter en vlees er in. Gedurende de week smolten die ijsstaven en op het eind zette je het kraantje open om het water af te voeren.

 

maart 25, 2014

Haagse herinneringen (3)

Waterpartij in de winterVandaag geef ik wederom het woord aan de dame die het Den Haag van mijn jeugd goed kent en die haar schat aan herinneringen in een serie impressies graag aan de lezers wil offreren.

Koud Holland

Mijn eerste winter in Holland was een grote tegenvaller. In de winter ’46/’47 was ik er ook, maar ik weet niet meer of ik het toen ook koud had gevonden. Maar in ’52/’53 drong het goed tot me door, ja, zelfs tot de botten. Het lopen door de sneeuw naar school viel eigenlijk wel mee, flink doorstappen maakte je wel warm. Maar wanneer ik op de fiets ergens heen moest kon ik niet tegen de gure wind en de kou op mijn handen. Ik kreeg een soort kappen aan het stuur van mijn fiets, waarin je zo je bewante handen kon stoppen. Dat scheelde wel. Met mijn gezicht was het anders gesteld. Ik had zelfs de wollen sjaal voor mijn mond omhoog getrokken en een muts diep over de oren, maar toch. Om van bevroren tenen maar niet te spreken. Ik had dan ook prompt wintertenen. Hiervoor gaf de dokter mij een kalkinjectie, maar of dat geholpen heeft? Ik vond de injectie ook erg pijnlijk. Nee, het was geen lolletje.

Op een goede dag toen ik met een vriendinnetje van school door het besneeuwde park aan de Groot Hertoginnelaan liep kwamen er wat vervelende knullen van de andere kant aan en ik weet niet meer of ze ook van onze school waren, maar ze dachten ons een poets te bakken door ons eens lekker in te zepen met sneeuw. Eerst kregen we wat ballen naar ons hoofd geslingerd, maar toen kwam er een knul met een hand vol sneeuw en wreef dat over mijn gezicht. Was het alleen sneeuw geweest, dan zou ik dat niet eens zo erg gevonden hebben, maar er zat hondepoep bij en dat was vreselijk. Ik was echt woedend, maar de jongens lachten zich rot. Toch dropen ze af. Mijn vriendinnetje heeft toen met schone sneeuw mijn gezicht enigszins opgeknapt. Gelukkig was ik niet al te ver van huis, waar ik me eens goed kon wassen.

Dit waren dus minder prettige dingen van de winter. Inmiddels mocht ik af en toe naar de HOKIJ in de Houtrusthallen gaan om mijn schaatsvaardigheid te bevorderen. Het was op een zondagmorgen, toen ik aan het eind van de schaatssessie weer door mijn tante werd opgehaald, dat ik te horen kreeg van de watersnoodramp in Zeeland. Het was heel moeilijk om mij dat enigszins voor te kunnen stellen, maar het moet vreselijk geweest zijn zo naar het serieuze gezicht van mijn tante te oordelen. Zij had alles over de radio gehoord. Springvloed door hoog getij en volle maan, flinke storm en de dijken waren op vele plaatsen doorgebroken. Ze sprak over kleren inzamelen en dergelijke toestanden. Nou had ik zelf haast nog geen wintergarderobe en kon niets missen, maar tante zelf had e.e.a. en dat brachten we dan samen naar een soort inzamelgebouw. Later in de week nam ze mij mee naar de Cineac, waar we tijden in de rij stonden, maar uiteindelijk toch al die vreselijke beelden op het scherm konden zien. Pas toen had ik echt een idee gekregen van wat er gebeurd was. Ik was er stil van.

De somberte van de donkere dagen in de wintermaanden heeft mij vaak naar Indië terug doen verlangen. Het enige wat het enigszins verzachtte waren die beeldige etalages gedurende de Kerstperiode en de Kerstvieringen zelf. Een keer lag er op Nieuwjaarsdag een pak sneeuw en Oom en ik zijn toen de stad in gegaan en hebben bij de Driehoekjes geluncht. Het viel mij op hoe een vers pak sneeuw het hele aanzien van de stad veranderde door de weerkaatsing van het licht. Alles zag er zo veel vrolijker uit. Toen ik wat ouder was gingen we wel eens ’s avonds schaatsen op de verlichte en ondergelopen tennisbanen en daar heb ik van genoten. Er heerste daar altijd een sprookjesachtige sfeer, iedereen was vrolijk en warm geschaatst. Helemaal fraai werd het wanneer de Waterpartij aan de Scheveningse weg ook dicht zat en daar ‘s avonds onder gezellige verlichting geschaatst werd. Eveneens stond er een tentje waar je warme chocolade of slem (?) kon drinken. Mijn Ooms en Tantes met hun kinderen hadden mij dan opgehaald en zo werd het een beetje familiefeest.

bovenstaande foto: Waterpartij in de winter. Sedert 18 augustus 1988 bevindt zich in de nabijheid ook het Indisch Monument.

 

maart 12, 2014

Haagse herinneringen (2)

Het SpuiVandaag geef ik wederom het woord aan de dame die het Den Haag van mijn jeugd goed kent en die haar schat aan herinneringen in een serie impressies graag aan de lezers wil offreren.

De Roaring Twenties in Den Haag

was een club, we kwamen er graag.

Ergens bij het Rijswijkse Plein

zou dat geweest moeten zijn.

Je belde aan en het luik ging open

want je kon niet zo binnenlopen.

Je moest lid zijn van die kroeg,

kaart tonen als men dat vroeg.

Eenmaal binnen was het druk

je vond een stoel of een kruk

aan de bar en bestelde bier

of een wijntje voor je plezier.

Er heerste een leuke atmosfeer

al deden je oren soms wat zeer.

Op een tokkelende pianola

speelde iemand tralala

de liedjes van weleer

van roaring twenties, elke keer.

Dus klonk

dat honkytonk

ons erg bekend.

We waren het gewend.

Obers dansten met hun bladen

wisten zich tussen tafels te waden

heel gewichtig

maar voorzichtig.

Als cowboys waren ze verkleed

wat voor de entourage veel deed.

Soms werd een Chaplin film vertoond

dat met luid klappen werd beloond.

Het was er altijd vreselijk vol

maar we hadden reuze lol.

Ze serveerden kaas en nootjes

en zalm in kleine mootjes.

Vrienden onder elkaar

genoten altijd daar.

Je mocht zingen, je mocht dansen

en hier en daar wat sjansen.

De roarings was goed vermaak

en voor ons was dat de hoofdzaak.

maart 2, 2014

Haagse herinneringen (1)

Plaats 13 en 13 aVandaag geef ik het woord aan een dame die het Den Haag van mijn jeugd goed kent en die haar schat aan herinneringen in een serie impressies graag aan de lezers wil offreren.

Haagse herinneringen (1)

Nadat mijn vader uit Indië terugkwam en een tijdelijk onderkomen bij zijn ouders in de Bankastraat kreeg, vond hij een“flat” op De Plaats.

Wie het Den Haag van de jaren 50 – 60 kent weet dat daar toen gewoon verkeer langs reed en dat je in het midden van De Plaats je auto kon parkeren. Er waren winkels zoals Caminada, de grammofoonplatenzaak, van Kempen en Begeer, de juwelier op de hoek, Elizabeth Arden, een Indisch restaurant (1), waarvoor je na de voordeur eerst de trap naar boven op moest voor je er aan tafeltjes kon gaan zitten. En er was IBM waar je door de grote ramen nog grotere computers kon zien staan. En naast de IBM was nummer 13.

De voordeur van nummer 13 was nietszeggend, maar eenmaal binnen werd je verrast door het enorme trappenhuis. Het leek daar binnen op een groot huis uit de een of andere Wild West-film. Een statige trap, die in een ovale wending naar etages leidde, waar zich links en rechts deuren bevonden als je boven kwam. Je kon zo vanaf de balustrades naar de lege ruimte beneden kijken. Het was er donker en stil. Je zou eigenlijk ieder moment een butler verwachten, die met een dienblad uit een van de deuren zou komen. Maar nee, dat gebeurde geen enkele keer toen ik daar naar boven liep.

Op de bovenste en ik meen derde etage was een deur naar de flat van mijn vader. Het was een wonderlijke flat met bochtende muren. Misschien moet ik eens het kadaster raadplegen om te zien uit welke periode deze gebouwen dateren. Er waren twee kamers, een keukentje en een badkamer met wc. Gelukkig was er een groot raam in de zitkamer, waardoor veel licht naar binnen kwam en waardoor je een riant uitzicht op de stad richting Passage had.

Mijn vader woonde daar knus en opgeborgen. Mijn zusje en ik kwamen er af en toe en dan deden we de schoonmaak, want daar had hij geen kaas van gegeten. Pa was een rustige man, die of las, of puzzelde of over het schaakbord gebogen zat. En soms ging hij uit om te biljarten. Veel conversatie had ik niet met hem, maar hij genoot op zijn manier van mijn aanwezigheid.

Beneden hem woonde zijn landlady. Het was een oud dametje en ik meen niet al te goed ter been. Mijn vader deed dan wel eens wat boodschappen voor haar. Ik heb haar nooit ontmoet, tenminste niet dat ik me dat herinner. Maar vader kon het dus best met dit mensje vinden. Ze kende niet veel mensen, had geen of nauwelijks familie. Op een dag overleed zij en ik weet niet hoe het is gekomen, maar mijn vader zou naar haar begrafenis gaan. Mijn zusje en ik besloten hem daarbij te steunen en ook omdat we wisten dat er niemand anders zou komen.

Wat een akelige bedoening dat was! We waren met vader meegereden naar het kerkhof en daar kwam dan de auto met het dametje in haar kist. Ineens kwamen er nog twee mensen, een dame en heer, die zich voorstelden als familie, zij was de een of andere nicht. En daar stonden we dan bij het graf met zijn 5-en en 2 begrafenismannen waarvan een nog enkele woorden sprak. Mijn zusje had een bosje lelietjes van dalen in haar hand, maar wist niet goed wat het juiste moment was om die op de kist te leggen. De 2 begrafenismannen lieten de kist langzaam zakken. Ik heb toen nog snel het bosje bloemen van mijn zusje overgenomen en op de kist “gemikt” en gelukkig kwam dat mooi op het midden terecht. Er waren geen bloemen, geen toespraken, niets. Alleen een paar zwijgende mensen en dat ene bosje lelietjes van dalen dat samen met de kist en het dametje de eeuwigheid in ging. Wat een raar idee allemaal, de lelietjes van dalen, nog fris en heerlijk ruikend onder de aarde bedolven.

Toen het voorbij was vroeg de nicht of wij nog mee wilden om een kopje koffie te gaan drinken. Nou, daar hadden we juist erge trek in. We hebben toen nog gedurende dat kopje koffie een beetje over het dametje gesproken waarna we ieder weer onze eigen weg kozen.

Het oude huis, waar de flat van mijn vader ook toebehoorde, werd verkocht door de erfgenamen. Wie die ook hebben mogen zijn. Mijn vader vond wel weer een andere plaats. Maar vandaag ben ik toch wel benieuwd wat er nu in dat huis zit. Een of ander kantoor misschien? Of zou er werkelijk weer iemand wonen?

1. Was het Indisch restaurant Kota Radja

Tags: