Archive for ‘cultuur’

oktober 14, 2013

Jean-Claude over Aad de Haas

statie-15-bron-wwwkerkgebouwen-in-limburgnlOnlangs realiseerde ik me dat er dus ook  t.a.v. kunstbeschouwing verschillen in benadering bestaan al naar gelang je achtergrond.

Mensen komen naar Zuid-Limburg om te fietsen en zijn doorgaans niet bereid kennis te nemen van kunst met een katholieke inhoud. Want dat heb ik ook begrepen, het lijdensverhaal is een bij uitstek katholiek onderwerp.

Zelf ben ik een groot bewonderaar van de wijze waarop Aad de Haas twee kruiswegen totaal verschillend in stijl vorm had gegeven. Aad de Haas was door toedoen van pater Mathot in de oorlog als Entartete Künstler uitgeweken naar zuid Limburg. Vlak na de oorlog ging hij aan de slag in het kerkje te Wahlwiller. Pas in de tachtiger jaren was de ophef over dit werk geluwd en kan de toerist vanachter een hekwerkje een glimp opvangen van deze authentieke ingetogen kruisweg.

Een expressionistisch uitgevoerde kruisweg had De Haas in een inmiddels afgebroken kapel op de muur geschilderd. Gelukkig heeft de sloper eerst de kruisweg met muur en al er uitgezaagd. Dit werk is ook voor het publiek te zien, want hangt nu in alle glorie in het gemeentehuis van Landgraaf.

P1070872

Le cierge, que les incrédules considèrent comme une des formes les

plus puériles de la superstition, est l’agent le plus extraordinaire qui soit

des âmes dont il matérialise les sentiments et véhicule les voeux.

Uit  “Les Foues de Lourdes” van Joris-Karl Huysmans

oktober 11, 2013

60.000 euro en Joost is boven Jan

Nederlands-Letterenfonds-logo-RGBWaarom zou een schrijver recht hebben op subsidie om een boek te schrijven? Een vraag die het Nederlands Letterenfonds zich kennelijk niet heeft hoeven stellen gezien de 60.000 euro die de welgestelde schrijver Joost Zwagerman op eigen verzoek overgemaakt kreeg:

hij ontving afgelopen jaar maar liefst 60.000 euro aan subsidie: 35.000 voor een roman en 25.000 voor een dichtbundel, zo valt te lezen in het jaarverslag van het Letterenfonds.

Dat bedrag komt toch al gauw neer op iets minder dan twee modale jaarinkomens, waarmee Zwagerman (samen met Wanda Reisel, die 20.000 plus 40.000 kreeg) degene is die het meeste subsidie wist los te peuteren. Maar is Zwagerman niet een van de succesvollere schrijvers van het land? Het type schrijver dat huizen van meer dan een miljoen kan bekostigen?

Overigens wil het toeval dat Zwagermans vriendin Maaike Pereboom beleidsmedewerker is bij het Letterenfonds. De lijntjes zijn kort, zullen we maar zeggen (Bron HP/De Tijd)

Recht hebben op subsidie? Zwagerman zal ook wel tot de handhavers der beschaving horen, zoals de lui die tijdens de Mars der Beschaving hun schoenzolen sleten om de subsidie op een kunstig bestaan gesubsidieerd te krijgen.

De vraag of er ook daadwerkelijk kunst, of een goed boek of dichtbundel uit voortvloeit, is voor degenen die de subsidies uitdelen niet zo van belang. Wat Zwagerman betreft weet je namelijk ook pas achteraf of het geld niet in een bodemloze put gekieperd is, want gebrek aan inspiratie heb je maar zo, en niet ieder boek is goed, als we de literaire critici mogen geloven.

Wat er op tegen is op eigen kosten een boek of dichtbundel te schijven is niet duidelijk. Het Nederlands Letterenfonds laat dan ook trots weten dat In de derde subsidieronde van 2013, het aanvraagmoment voor de zogeheten ‘oeuvrebouwers’, is in totaal € 1.010.500 toegekend aan 57 auteurs voor in totaal 60 literaire projecten. De verleende bedragen variëren per project van € 5.000 tot € 50.000.

Mocht u de komende tijd op een pretentieus romannetje of dichtbundeltje stuiten, onderstaande auteurs schreven het op uw kosten, zodat het boek eigenlijk al betaald is:

  • Reggie Baay voor een non-fictieboek (Athenaeum-Polak      & Van Gennep)
  • Jan Baeke voor een dichtbundel (De      Bezige Bij)
  • Mirjam Boelsums voor haar derde roman (Atlas      Contact)
  • Alex Boogers voor een novelle en voor een      roman (beide Podium)
  • Chrétien Breukers voor een essaybundel (De      Weideblik)
  • Borislav Čičovački voor een romantrilogie (Atlas      Contact)
  • A.H.J. Dautzenberg voor een roman (Atlas      Contact)
  • Mathijs Deen voor een non-fictieboek (Thomas      Rap)
  • Johan Faber voor een tweede roman (Nijgh      & Van Ditmar)
  • Anne Feddema voor een eerste Friestalige      roman (AFÛK útjouwerij)
  • Simon van der Geest voor een jeugdroman (Querido      kind)
  • Sanneke van Hassel voor haar tweede roman (De      Bezige Bij)
  • Daan Heerma van Voss voor een roman (De Bezige      Bij)
  • Robert-Jan Henkes als aandeel in een met Erik      Bindervoet te schrijven bundel kinderpoëzie (De Harmonie)
  • Rozalie Hirs voor een dichtbundel (Querido)
  • Lucas Hirsch voor zijn vierde dichtbundel (De      Arbeiderspers)
  • Sylvia Hubers voor een dichtbundel (Prometheus)
  • René Huigen voor een roman en voor een      dichtbundel (beide De Bezige Bij)
  • Auke Hulst voor een roman (Ambo│Anthos)
  • Christel Jansen voor een non-fictieboek (Balans)
  • Marco Kamphuis voor een roman (Wereldbibliotheek)
  • Marie Kessels voor een roman (De Bezige      Bij)
  • Esther de Koning voor een eerste jeugdroman (Azul      Kids Press)
  • Erik Lindner voor een roman (De Bezige      Bij)
  • Stijn van der Loo voor twee romans (beide Querido)
  • Jannah Loontjens voor haar derde dichtbundel (Ambo│Anthos)
  • Renée van Marissing voor haar derde roman (Atlas      Contact)
  • Sipko Melissen voor een roman (Van      Oorschot)
  • Dik van der Meulen voor een non-fictieboek (Boom)
  • Janny van der Molen voor een verhalend      non-fictiejeugdboek (Ploegsma)
  • Erik Nieuwenhuis voor een derde roman (Thomas      Rap)
  • Richard de Nooy voor een roman-in-verhalen (Nijgh      & Van Ditmar)
  • Rashid Novaire voor een roman (Ambo│Anthos)
  • Cyrille Offermans voor een essaybundel (Cossee)
  • Bouke Oldenhof voor een toneeltekst (Bornmeer/Tryater)
  • Vincent Overeem voor een derde roman (De      Bezige Bij)
  • Linda Polman voor een non-fictieroman (Bertram      + de Leeuw)
  • Anna van Praag voor een young adult-roman (Lemniscaat)
  • Alexis de Roode voor zijn eerste roman (Podium)
  • Gideon Samson voor een verhalenbundel voor      kinderen (Leopold)
  • Elske Schotanus voor een Friestalige roman in      verhalen en fragmenten (AFÛK útjouwerij)
  • Jan Paul Schutten voor een non-fictiejeugdboek (Gottmer)
  • Pauline Slot voor een roman (De      Arbeiderspers)
  • Janneke Spoelstra voor een Friestalige roman (AFÛK      útjouwerij)
  • F. Starik voor een      roman-in-zeer-korte-verhalen (Nieuw Amsterdam)
  • Mustafa Stitou voor een dichtbundel (De      Bezige Bij)
  • Michiel van Straten voor een non-fictieboek (Atlas      Contact)
  • Meindert Talma voor het tweede deel van de      romancyclus Nederlands Onbekendste Popster (Passage/Excelsior)
  • Willem Thies voor zijn vierde dichtbundel (Podium)
  • Anneloes Timmerije voor een historische roman (De      Geus)
  • Florence Tonk voor haar derde dichtbundel (Nieuw      Amsterdam)
  • Carolina Trujillo voor haar vierde roman (Querido)
  • Lot Vekemans voor haar tweede roman (Cossee)
  • Arjan Visser voor een roman (Atlas      Contact)
  • Bette Westera voor een bundel kinderpoëzie (Gottmer)
  • Hannah van Wieringen voor een tweede verhalenbundel      (De Harmonie)
  • Anna Woltz voor een jeugdroman (Querido      kind
september 20, 2013

Mijn laatste Indische maaltijd in Den Haag was in Depot Podjok

Depot PodjokMijn vertrek uit Den Haag had ik alleen nog even willen uitstellen voor het Indische eten dat je er nog kan genieten. Jaren woonde ik in de Archipelbuurt, waar nog van die knusse maar piepkleine familie-eethuisjes waren, waar je aan een formicatafel kon aanschuiven voor een Nasi Rames. Kort voor mijn vertrek ontdekte ik nog zo’n eethuisje. Niet zo sobertjes als die van vroeger, maar ook niet een in zo’n overdreven koloniale look geënsceneerde tempel, zodat de rekening er net zo gepeperd is als de gerechten.  En om eerlijk te zijn, vind ik opgeklopte restaurants als Tampat Senang en Garoeda te koloniaal en te weinig intiem om je tong goed aan de lombokjes te laten wennen.

Bij Depot Podjok, aan de Haagse Bankastraat, heb ik kort voor mijn vertrek uit Den Haag mijn laatste restje hoop op Indisch genoegen mijn smaakpapillen en neus laten passeren.

Geserveerd door een sympathieke en welgemanierde Indische jongeman, die zeer geboeid was in wat ik over mijn oude buurtje te vertellen had, genoot ik van het snoepgoed dat Indisch eten eigenlijk is.

Over de aloude gemoedelijkheid van een buurt de niet alleen een zeer artistiek en literair verleden kent, maar waar je vaak de etherische geuren van de walmende wadjan kon opsnuiven, liet hij mij vertellen, terwijl langzaam buurtgenoten de bron van de aangename geuren gevonden hadden en ook aan tafel aanschoven. De koude Haagse winter vormde een indringend contrast met de warmbloedige sfeer van het eethuis.

Over hoe ze er koken meldt Depot Podjok het volgende: Onze gerechten worden volgens de authentieke Indonesische keuken bereid. Depot Podjok kent haar oorsprong uit de Oost Javaanse keuken en maakt voor een aantal gerechten ook uitstapjes naar de andere eilanden. Dit zorgt voor een compleet aanbod aan gerechten wat het archipel Indonesië rijk is.

In de buurt waar de schilders van de Haagsche school en de beroemdste Nederlandse schrijver ooit de trottoirstenen sleten, valt nog wat van die oude Indische sfeer te proeven. In Depot Podjok vang je, hoewel er inmiddels een moreel verbod op nostalgie heerst, nog iets van Tempo Doeloe op. Alsof in de Archipelbuurt nog een zweempje goenagoena heerst, maar dan in de melange van specerijen en kruiden die je stemming betovert.

september 20, 2013

De Cathédrale Notre-Dame-de-Nazareth de Vaison

P1050111In een anachronistische disharmonie zuchtend en in strijd met ruderale vegetatie, deze door vele eeuwen tijdsgeest gesleten fotografische details van de Cathédrale Notre-Dame-de-Nazareth de Vaison, in het Franse departement Vaucluse.

De in de 11e-12e eeuw in romaanse stijl gebouwde kathedraal van Vaison, staat op de ruïnes van een Romeinse tempel, waar de resten nog zichtbaar van zijn. Over het stapelen van geschiedenis gesproken, heeft de maker van deze foto, Jean-Claude, getoond een fijne neus voor details te hebben.

september 19, 2013

Duisternis en licht

DSC03187Zonder duisternis geen licht. Of toch, zonder licht geen duisternis? Deze kerkvensters vond ik in het kleine Duitse plaatsje Anholt. De neo-romaanse kerk, in basiliekstijl in 1862 gebouwd, vormt een pontificaal silhouet in de omgeving.  De karakteristieke torens werden op Witte Donderdag en Goede Vrijdag 1945 opgeblazen door de Duitse Wehrmacht. En het heeft maar een haar gescheeld of ik zou de kerk zelfs nooit meer bezocht kunnen hebben, want de totale vernietiging kon slechts met zwaar artillerievuur verhinderd worden.

Toen ik het plaatsje bezocht en de dame die de bezoekers rondleidt de vreemde eend in de bijt de kerk zag observeren, sprong ze op de fiets, snelde richting kerk en ontsloot gastvrij de zware kerkdeuren voor bezichtiging. Zo gaat dat in een kleine gemeenschap waar vreemdelingen meteen opvallen.

De kerkdeuren, zo vertelde ze mij, werden dagelijks gesloten omdat kerkdieven ook het kleine plaatsje Anholt niet links hadden laten liggen en daar bruut toegeslagen hadden. Ondanks de prachtige romaanse ornamentiek en schilderingen van de kerk, waren de dieven niet te vermurwen in hun niets ontziende hebzucht.

Misschien dan toch maar zonder licht geen duisternis?

september 17, 2013

Zomaar een avond in het veld

 

Zodra de afdalende zon traag de eerste kruinen van de bomen raakt begint langzaam de avond te vallen en krijgt de hemel een rustgevend licht te verwerken.  Ik ben een aanbidder van de avond. Nou ja, die in het veld, dan wel te verstaan. Geen periode van de dag fascineert mij zo sterk als de avond. Het is alsof flora en fauna eindelijk kalmeren van een zware dag arbeid, zoals de strijd voor het bestaan genoemd mag worden. Door de opkomende avondkoelte begint het landschap een odeur af te geven waar je, mits je er gevoelig voor bent, van in een roes kunt raken. Het is de melange van geuren van afkoelende vegetatie en beginnend dauw, versluierd in een mystieke grondnevel. Op zo’n avond kun je overvallen worden door het soort weemoed waar een dichter zijn ganzenveder voor in beweging zette in tijden waarin de mens nog volop ontzag en bewondering toonde voor het landschap en de daarin verborgen kroonjuwelen.

De verwondering van toen voor al dat schoons lijkt opgelost in oppervlakkigheid en een allesoverheersend materialisme. En dat was nog in de tijd dat schilders uit louter eerbied voor de geboden schoonheid aan een veldezel gekluisterd, de mens er kond van deden met schilderkunst die allang niet meer kan en mag. Een avond schilderen was iets waar niet iedere schilder begaafd genoeg voor was.

Op zo’n avond ga ik lyrisch door het veld en ben getuige van een verval in licht en een expressiviteit van luchten waar een Johan Barthold Jongkind, een Camille Corot of een Charles-François Daubigny geroemd om waren.

Het notuleren van een landschappelijke sfeer die niet meteen een juichstemming veroorzaakt maar juist noopt tot bezinning en een wijsgerig overdenken over wat het leven zo fascinerend maakt, is niet iets dat en masse aangevoeld wordt.

Zelden ontmoet ik mensen op zo’n avond. En juist daarom wagen ook naarmate het licht dooft steeds meer dieren zich buiten hun beschermingsgebied om in een gemoedstemming van veiligheid de voor het voortbestaan zo noodzakelijke activiteiten te plegen.

Op z’n avond zie je aan een bosrand en in een verlangen naar vochtig gras reeën tevoorschijn schuifelen. Doemt plots vanuit een nevelflard een velduil tevoorschijn. Jagen heidelibellen en vleermuizen op de door ons zo verafschuwde insecten. En dwarrelen duisternisminnende vlindertjes en motten elfachtig tussen geurig struweel.

Zo’n soort avond was het ook toen wolken in monsterlijke vormgeving een grillige dans met het schemerlicht begonnen. Een avond die langzaam in duisternis stierf en mij overleverde aan het kleine geritsel der dieren en het laatste vogelgezang van die avond dat de zanglijster als epiloog van een inspannende dag inzette.

Ja, weemoedigheid is ook een vorm van schoonheid die te vaak als onaangenaam ervaren, de mens tot de mooiste kunstuitingen kan verleiden.

september 15, 2013

Het boudoir

Vroeger, maar dan heel erg vroeger, bestond  het boudoir nog. De zalige plek waar de vrouw in de hogere sociale klasse zich in de sereniteit van het alleen-zijn kon terugtrekken teneinde zich ernstig te bekommeren over de vergane glorie van het uiterlijk. Niet dat zulke vertrekken in deze tijd geheel ondenkbaar zijn. Er zullen beslist nog vertrekken zijn waarin welgestelde dames zich in alle rust kunnen terugtrekken om er zich langdurig aan de restauratie van het uiterlijk te wijden. Of om er te pruilen, want de term is waarschijnlijk afgeleid van het Franse “bouder”, dat pruilen betekent. Een pruilend terugtreken na afgewezen te zijn door een minnaar, of als een door haar echtgenoot bedrogene?

Het mysterieuze territorium waarin de vrouw zich in alle geheimenis kon terugtrekken dateert nog uit de schone dagen van de belle epoque, toen vrouwen zich nog alles verhullend kleedden en er veel meer te raden was dan te zien. Voor naturisten moet dat de hel geweest zijn, maar voor een mens die kleding ziet als uitingsmiddel en die daar een diepere betekenis aan toekent, een gelukzalige tijd.

Het was de schilderkunst die voor het eerst met opzettelijk sentiment en lichtelijk impertinent gewag maakte van het tot dan tot geheimenis gedoemde domein van de vrouw. Of de schilder François Boucher (1703-1770) niet een al te suggestieve interpretatie van het boudoir schilderde met een zeer zinnelijk op satijnen draperieën en een groot kussen rustende jonge vrouw, laat ik aan de beschouwers van dat schilderij over.

Maar het is niet onwaarschijnlijk dat de schilder er vooral het mannelijke deel van zijn bewonderaars mee trachtte te bekoren. Zou in de jaren zestig van de vorige eeuw een fotograaf of schilder zulk een beeltenis vervaardigd hebben, dan zou die waarschijnlijk in een kalender een naar smeerolie geurende werkplaats opgevrolijkt hebben.

In de dagen dat in de kunst de geheimen van het boudoir ontsluierd werden, zagen we ook de opkomst van het oriëntalisme, waarin schilders zich ongegeneerd uitleefden in het verbeelden van de voor ongewenste bezoekers gesloten harems. Niet dat ze er ooit een voet op de fraai gedecoreerde faiencetegels gezet hadden. Het gold in de schilderkunst niet als abnormaal om de wereld in het atelier bijeen te fantaseren, want zelfs landschappen werden in het atelier verzonnen en geschilderd. Dat kon ook niet anders want de schildersmaterialen waren nog niet zodanig mobiel dat in het veld een fors doek tot stand kon komen.

De geschilderde boudoirs zouden dus ook wel eens uit de enorme duim van de kunstenaars gezogen kunnen zijn. En geheel legitiem, want ook romanciers en poëten mochten van die duim gebruikmaken om de beeldvorming voor de beschouwer te scheppen. Zo immers ontstonden ook de kolossale Bijbelse voorstellingen, en konden schilders zich uitleven in zee- en veldslagen zonder zich ooit in de zwaveldampen ervan begeven te hebben.

Het boudoir als oase van rust waarin de vrouw zich kon terugtrekken kreeg via “La Philosophie dans le boudoir ou Les instituteurs immoraux” van Donatien Alphonse François de Sade een seksuele wending die niet geheel vrij was van diens pedofiele geaardheid. Maar in de normalere betekenis van het woord, werd de erotische ambiance die het begrip ademde door de schilderkunst subtiel aangewakkerd.

In de negentiende eeuw was het een zelfs een traditie geworden vrouwen die zich kennelijk onbespied waanden in een sensuele pose en min of meer schaars gekleed te vereeuwigen. En het sensuele aspect werd dan vooral belichaamd door de schijnbare kwetsbaarheid waarin de vrouw door zich onbespied te wanen zich bevond. Een artistiek voyeurisme dat niet altijd door de vrouw afgewezen werd, hoewel het vak van kunstenaar in die dagen nog zelden door vrouwen zelf beoefend werd en er dus weinig sprake was van een artistieke instemming. Maar geposeerd werd er volop voor werken die we vergeleken met de hedendaagse pornografie als decent zouden kenmerken, maar die voor die tijd gedurfd waren. De liefhebbers ervan kwamen dan ook niet van de straat en de gewone man bevond zich er verre van.

Het valt niet uit te sluiten de kunstenaars van die tijd in hun schilderkunstige uitingen hun seksuele wensdromen tot kunst sublimeerden. En dat dat niet altijd zonder gevolgen bleef weten we van de Franse schilder Hilaire-Germain-Edgar Degas, die zeer veel moeite had de schoonheid van zijn modellen te weerstaan.

Van de kamertjeszonde van het boudoir naar de alledaagsheid van de IKEA-toilettafel in de slaapkamer duurde twee wereldoorlogen lang. De menselijke emotie die “schaamte” genoemd werd kreeg in de vrijheidsdrang van de jaren zestig zo’n omwenteling te verduren dat het terugtrekken in een boudoir buiten de dagelijkse orde gevallen was. En de woningen werden door de babyboom en de naoorlogse woningbouw ook zo petieterig dat de mens nog nauwelijks meer gegund werd dan een schichtig langs elkaar heen wurmen in een badkamer waar zich alle middelen bevonden die het menselijk lichaam aanlokkelijk moesten maken.

Laten we daarom nog nagenieten van de fossiele resten van wat ooit het privéterritorium  van de vrouw was, ook al zijn die rijkelijk aangedikt door de misschien al te obsessieve kunstenaars van weleer.

september 15, 2013

Hommage aan de Britse alleskunner Noël Coward

Binnen de Nederlandse wateren hebben we nimmer een kunstenaar onder de hemel mogen prijzen die bijna alles, zo niet alles kon. Het zal ongeveer een keer per twee jaar zijn dat ik mijn bedevaart maak naar de door deze alleskunner van script voorziene speelfilm Brief Encounter, van de hand van de al even door mij bewonderde regisseur David Lean. Ik heb het over de toneelschrijver, librettist, componist, regisseur, acteur en zanger Noël Coward (Teddington, 16 december 1899 – Jamaica, 26 maart 1973). Een alleskunner die zijn aanbidders zich zullen herinneren als de ietwat narcistisch met tenger sigarettenpijpje poserende dandy.

Wie Brief Encounter kent, begrijpt meteen dat dialogen geen moord nodig hebben om een niets ontziende spanning op te bouwen. De film zuigt zich vast aan een foute liefde tussen personages aan wie deze liefde misgund wordt, en die dan ook in een snijdende spanning en in de wrede akoestiek van een station zijn einde vindt. Hoe onnozel het verhaal met een vuiltje in het oog ook mag beginnen, het kleine onheil dendert in het groteske tweede pianoconcert van Rachmaninov de kijker tegemoet.

Ziedaar, mijn eerste kennismaking met Noël Coward, toen ik me als pril jongmens liet meeslepen door de film waarvan ik toen het slot nog niet kende. Pas vele jaren daarna ben ik meer van deze kunstenaar gaan zien, horen en begrijpen en kwam ik tot het besef dat een kunstenaar van zijn omvang alleen in dat rare land Groot-Brittannië tot wasdom kon komen. Het land waar kunst altijd een beetje anders zal zijn dan op het vaste continent.

Het land waar het sentiment nog niet door de intelligentsia naar de afvalverwerking gezonden is. Waar ieder jaar een Last Night of the Proms gehouden kan worden, alwaar heerlijke dwazen staande in de zaal mee staan te zingen en dirigeren bij Rule Brittania, en humor nog geen politiek statement hoeft te zijn.

Wij hebben de banaliteit van Paul de Leeuw, Freek de Jonge en Youp van ’t Hek. De Britten zochten het in het delicate sentiment en de beschaafde humor van Noël Coward.

En het was zijn London Pride dat ondanks dat de Stuka’s, de V1’s en V2’s het Britse volk terroriseerden, dat volk overeind hield. En daarom met hetzelfde sentiment door de acteur Jeremy Irons op de Last Night of the Proms gezongen werd. Want dat soort nationalisme weerstond het nationaalsocialisme, voor mocht iemand nog denken dat nationalisme net zo vies smaakt als Hitlers idioom.

Voor wie het nog niet wist, was Noël Coward de componist van songs die zijn befaamde operette Bitter Sweet wisten te overleven en die tot in lengten van dagen gezongen zullen worden omdat het sentiment nooit verdwijnen zal. Daarom is er een The Noël Coward Society door zijn bewonderaars opgericht. En ook daarom dat ik deze hommage niet aan de lezers onthouden kon.

september 12, 2013

In dodelijke ernst

Filantroop

Woest en wild slaan de weergoden toe. Zo braakt de hemel zonneschijn, dan opeens als bij een acuut opdoemende depressiviteit, schuift een grauw en schijnbaar ongewassen deken het licht uit het landschap van plassen en rivieren weg. Het land beeft, uit bomen schieten bladeren als dode vlinders door de lucht. Over de dijkwegen fietsen met diepgebogen ruggen de laatste mannenbroeders huiswaarts. Regen roffelt salvo’s tegen het rivierbaksteen van de schamele huisjes aan de dijk. Er zweeft een natte krant door de lucht. Tegen het grauw van het wolkendek schitteren kokmeeuwen spierwit op in het laatste glimpje zonlicht. Riviervisbootjes deinen onrustig op de golven. Wie het opmerkt ziet dat het een moedig gevecht is dat zich in stilte afspeelt.

Zo grauw was het polderlandschap altijd. Zo gewassen door regen, rivierwater en storm, liggen aan de horizon dorpen die de kerken van eeuwenlang in klei ploeterend volk omringen. Daar in de kerken, klein en schijnbaar onbetekenend van omvang, galmen soms in de ijle akoestiek de toccata’s van Jan Pieterszoon Sweelinck. Daar, in het handgesneden hout van de kerkbanken gezeten, berustte eeuwenlang de mens in doodsnood. Daar stierf men doodvermoeid aan de strijd tegen het wassende water.

Dit volk, verdoemd door het water, schrijdt als duister silhouet op schrale zondagen ter kerkgang. Steeds weer als ik die zwijgzame stoet als zelfkastijdend autodafe over verwaaide rivierdijken zie gaan, koester ik mijn stille bewondering voor dit volk. Zo moegestreden, zo tegen de straffe wind en tegen beter weten in, wist het zich eeuwenlang te handhaven.

En beken ik u, ik ben er trots op dat ze er nog zijn. Zo eigenwijs en straf als uit hout gesneden, maar in dodelijke ernst.

september 11, 2013

Er verschenen twee engeltjes aan mij

Lam-Gods

 

Het was een paar jaar geleden en op zo’n voorjaarsdag waarop de zon zich verschool echter een grijs wolkendek en de wind soms nijdig opstak alsof het maar geen afscheid van de winter kon nemen. Op zo’n schrale dag trok ik naar Emmerich am Rhein om er de St. Martini-kerk te bezichtigen. En bepaald niet schoorvoetend, want al mag ik ongelovig zijn, oude kerken in nog oudere steden laat ik niet graag aan mijn aandacht ontsnappen. En voor riviersteden koester ik een geheel ander soort fascinatie die misschien heel Nederlands is en die waarschijnlijk verband houdt met de eeuwenlange strijd in de lage landen tegen het wassende water.

Daar hebben we immers iets mee. Bij extreem hoge waterstanden trekt de Nederlander dan ook graag naar de rivieren om nog eens getuige te zijn van die ellendige strijd tegen het moordende water. Men mag dat dan neerbuigend ramptoerisme noemen, het vloeit van nature in de aderen van de Nederlander.

Zo’n soort rivierstad is ook Emmerich am Rhein. De St. Martini-kerk is een typisch voorbeeld van door oorlogen en natuurrampen veroorzaakt bolwerk van anachronismen. De driebeukige basiliek van tufsteen dateert uit circa 1040 en is van romaans concept. Nadien heeft de kerk talloze aanpassingen, verbouwingen en aanbouw ondergaan die het tot de huidige versie heeft gemaakt. De kerk vormt een toonbeeld van het menselijke gedrag en natuurgeweld over eeuwen uitgestrekt. Het is alsof je alle ellende die zich genadeloos over de bevolking van die stad voltrok aan de kerk kunt aflezen.

Bezoek een oude kerk in een oude stad, en je proeft de door ongeluk, wanhoop en verbijstering geteisterde mensheid, die zich daar op die koele en door gebrandschilderde vensters stralend licht beschenen, trachtte te vertroosten.

Toen ik die late ochtend de St. Martini-kerk naderde ontspon zich aan mijn waarneming een visioen waarin twee ranke engeltjes met een soepelheid alsof ze zich op vleugeltjes voortbewogen, richting kerk begaven. Niet vliegend maar in een anachronisme met wat mijn geestesoog er van trachtte te maken. De vleugeltjes waren namelijk eigentijds vervangen door de kunststoffen wielen van een autoped zoals je die tegenwoordig koopt in een van de warenhuizen.

Bij de ingang van de kerk gekomen ontstond een aarzeling in de kerkgang van de engeltjes. Gevoed door de aardse vrees voor diefstal, zochten ze een plek om hun autopeds tijdens het kerkbezoek aan het oog van mogelijke dieven te onttrekken. Onder een haag verscholen ze de hun blinkende vleugeltjes zodat ze hun tocht zorgeloos konden vervolgen. Want stel je voor als geboefte met de blinkende vleugeltjes er vandoor zouden gaan.

In de kerk gekomen zag ik de twee engelenhoofdjes met het haar zorgvuldig in staartjes gebonden, in een ontroerende aandacht voor al het sacrale schoons dat zich aan ze opdrong.

Pas nadat ik ze tot enkele tientallen meters genaderd was zag ik dat het tweetal volkomen identiek aan elkaar was. Een tweeling en zo eeneiig dat er zelfs in de uitmonstering geen zichtbaar verschil was. En ook dat het geen meisjes waren van wie je verwachten zou dat ze zich op een autoped aan kerkbezoek zouden wijden. In een voorzichtige schatting kwam ik tot circa zestien levensjaren.

Maar zoals ze wijs, ingetogen en alsof de vrees voor de akoestiek van de kerk ze tot fluisteren dwong, de details zoals het doopvont, het grafschrift voor Wessel Huninck, de kruisigingscène en het zandstenen reliëf de verheerlijking van Christus op de berg Tabor, met elkaar bespraken, dwong me tot terughoudendheid en piëteit. De stemmetjes, door vroomheid gevangen en verwondering gezegend, klonken als een a capella-gezang dat tot zwijgzaam luisteren dwong.  

In de verstilling van de kapel schreden ze, muisstil en bedachtzaam met hun frêle handjes gesticulerend voor het beeld van Maria en Jezus met de stigmata, het mystieke schijnsel van de vele kaarsen tegemoet. Aangestoken door de wanhopige mens die iets te wensen had, vormde het kaarslicht een feeëriek nimbus rondom het tweetal.

In dat licht kreeg hun fijngesneden gelaatsuitdrukking iets van de laatgotische schilderkunst, zoals we die kennen van de Vlaamse Primitieven. Zoals het deemoed eisende gelaat van de Madonna bij de fontein, dat door Jan van Eyk geschilderd werd.

Zou hij zijn madonna´s en engelen niet geschapen hebben naar de beeltenis van meisjes die in hun schoonheid rondom hem dartelden, zodat hij niet anders kon dan ze in devotie voor het nageslacht bewaren? Aan hem verschenen geen madonna’s en engelen aan wie hij zijn penselen kon wijden, maar schoof het tastbare leven voorbij.

Zo ook de twee engeltjes die zich stil en aangedaan vertroostten in de Martini-kerk om na dit geruisloze ritueel hun blinkende vleugeltjes onder de haag vandaan te halen en naar het hogere terug te vliegen.

Maar toen ik me een half uur later aan de koffie begaf op de promenade van Emmerich, die uitkijkt over het boerenland waar boeren al zwoegend de winter verjoegen, zag ik ze weer aan mij verschijnen.

Ze stepten licht als vogelveertjes in een straffe wind aan me voorbij, de paardenstaartjes in filigrain, de sierlijke gestalten oplossend in de verte.

Waren het engeltjes of toch twee boerinnetjes die in een onverteerbare godvrezendheid in devotie traden om zodra het avond wordt de hoofdjes tevreden te ruste te leggen in het verlangen naar een veilig en eerbaar bestaan?