Archive for ‘literatuur’

april 21, 2014

Weerzien met A Family at War

AshtonMet het allegro uit Ralph Vaughan Williams’ zesde symfonie begint de imposante Britse dramaserie A Family at War. Opgenomen tussen 1970-1972 en dus technisch getaand door de tand des tijds, ben ik er toch weer aan begonnen. Destijds, dus in de jaren zeventig van de vorige eeuw, zag ik de serie wegens het moeten ontberen van een kleurentelevisie in zwart-wit.

Het weerzin, dat aanmoedigt om ook weer naar het Duitse familie-epos Heimat te kijken, was allerminst teleurstellend. De serie beslaat de oorlogsjaren van een “lagere” middenklasse familie, en biedt een ooggetuigenverslag van hoe een Engels gezin zich door de Tweede Wereldoorlog sleept. Toen de serie verscheen wisten Nederlanders weinig over hoe de Britten de oorlog, inclusief de bombardementen en de V1 en V2 aanvallen, doorstaan hebben.

Alleen al de beeldpoëzie van de titelrol, gedragen door de tot melancholie dwingende muziek van Vaughan Williams, prikkelt je tot nog grotere oplettendheid. Een zandheuveltje met strandemmertje, schep en in de straffe wind wapperende vlaggetjes die overspoeld dreigen te worden door de golven, symboliseren de situatie van de Britten met aan de overkant het Duitse verlangen naar alleenheerschappij over Europa.

De serie passeert in “toneelstukken” die over kleine scènes verdeeld zijn het beeldscherm. De dialogen verdiepen zich zeer intens en ontbloten bij vlagen genadeloos de karakters, waarbij de sociale vraagstukken van het vooroorlogse Engeland en het waarom van de Tweede Wereldoorlog diep uitgewroet worden.

Door het fenomenale Britse acteren opgezweept, ben je geneigd de serie in een adem uit te zitten, ware het niet dat de serie daar veel te lang voor is.

Na zo veel jaren mag het feit dat zeer veel van de acteurs die de serie dragen inmiddels overleden zijn een zweem van melancholie bij je achterlaten, hoewel de toen nog kittige Barbara Flynn die de altijd eigenwijze en tegendraadse Freda Ashton speelde, inmiddels gedoemd is rollen van kwaadaardige oude vrouwen te spelen.

Binnenkort maar weer aan Heimat – Eine deutsche Chronik van Edgar Reitz beginnen.

 

 

 

Advertenties
december 26, 2013

Charles Dickens en de deftige strijd tegen de armoede

PaulZo richting en rondom de kerstdagen wasemt de roep om het altruïsme, en dat als tegenpool van het egoïsme, weer geweldig op.  Hier en daar vergrijpt een omroep zich weer eens aan de geweldig egoïstische Ebenezer Scrooge uit de kerstvertelling A Christmas Carol van Charles Dickens. De hoofdpersoon zou zonder twijfel de gramschap van de paus en het voltallige linkse diocees over zich afroepen, zou de man in deze tijd geleefd hebben.

Charles Dickens was een strijdbaar schrijver, aan wie iedere hedendaagse marxist van deze tijd zich moreel zou kunnen laven, gezien zijn ironiserende en geweldloze strijd tegen het egoïsme van de hogere klasse van zijn tijd.

Sedert ongeveer het midden van de negentiende eeuw in het tot op het bot sociaal verdeelde Engeland, waren rijkdom en armoede groteske tegenpolen van elkaar. Het verschil tussen de schrijnende armoede van toen en de schijnbare armoede van nu, laat zich met die tijd goed vergelijken.

De uitbuitende hogere klassen was grenzeloos egoïstisch, hetgeen anders dan in het Frankrijk naar de aanloop van de Franse Revolutie, niet leidde tot een vreselijk bloedvergieten, maar zich via een geleidelijke ontwikkeling aanpaste aan veranderende inzichten.

In tegenstelling tot de filosoof Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu, die er hier en daar van verdacht wordt de Franse Revolutie die tot een massamoord op de aristocratie leidde, met zijn ideeën geënthousiasmeerd te hebben, had Charles Dickens wél persoonlijke ervaringen met armoede en had hij door zijn zich met schulden overladende vader een gesjochten jeugd gehad. Zelfs aan het lot van de kinderarbeid had de schrijver zich niet weten te onttrekken.

Er blijkt een cruciaal verschil te zijn in de wijze waarop armoede te bestrijden is, zoals die van het aanwijzen van zondebokken met het daarmee flankerende hemelhoog prijzen van de armlastigen als onschuldige slachtoffers. Deze methode heeft, zoals de historie aantoont, veel slachtoffers gemaakt.

Wie de werken van Charles Dickens goed kent weet dat zijn revolutieloze en zonder bloedvergieten gepaard gaande strijd tegen de armoede niet zonder resultaat gebleven is. Zijn werken verschenen als feuilletons in kranten die niet door het gepeupel gelezen werden. Zijn boeken werden door de lezende klasse gretig afgenomen. Wie in die dagen straatarm was kon zich geen krant en boek permitteren.

Revoluties zijn meestal geënthousiasmeerd door met schuldgevoel worstelende afgezanten van de elite. Charles Dickens, als ik mezelf het recht vergun even via hem te denken, zou Paul Rosenmöller met een vader die directeur en grootaandeelhouder van het Vroom & Dreesmann-concern was, als een vreselijke hypocriet afgeschilderd hebben. Zeker in de wetenschap dat deze Vendex-miljonair er ook nog eens bij schnabbelde, maar na enige publieke ruchtbaarheid over de honorering voor een paar PAVEM-schnabbels van de 140.000 euro 25.000 zou terugbetalen.

Het marxisme, socialisme, communisme en verwante levensovertuigingen zijn hoogwaardig aan welvoorziene tafels uitgefilosofeerd, alvorens ze aan het volk geserveerd werden. Het waren geen jongens van de gestampte pot die de revolutieroes aan de man en vrouw overbrachten, maar collaborateurs van de uitbuiters die zelf nimmer een rammelende maag te verwerken hadden.

Op een zwarte dag besloten ze zoals Ebenezer Scrooge, de wereld te verbeteren. Alleen niet door het hemd van hun lijf aan de armen te schenken, zoals Ebenezer Scrooge, maar anderen ervoor te plunderen.

Wat dat betreft is er een levensgroot verschil tussen de goedaardigheid van de schrijver Charles Dickens en de naar revolutie snakkende goede luyden. De laatsten hebben zo’n slordige 100 miljoen slachtoffers op hun conto staan, Charles Dickens heeft zonder bloedvergieten zijn evolutie bewerkstelligd. Je kunt immers beter Brit dan Noord-Koreaan zijn.

september 15, 2013

Hommage aan de Britse alleskunner Noël Coward

Binnen de Nederlandse wateren hebben we nimmer een kunstenaar onder de hemel mogen prijzen die bijna alles, zo niet alles kon. Het zal ongeveer een keer per twee jaar zijn dat ik mijn bedevaart maak naar de door deze alleskunner van script voorziene speelfilm Brief Encounter, van de hand van de al even door mij bewonderde regisseur David Lean. Ik heb het over de toneelschrijver, librettist, componist, regisseur, acteur en zanger Noël Coward (Teddington, 16 december 1899 – Jamaica, 26 maart 1973). Een alleskunner die zijn aanbidders zich zullen herinneren als de ietwat narcistisch met tenger sigarettenpijpje poserende dandy.

Wie Brief Encounter kent, begrijpt meteen dat dialogen geen moord nodig hebben om een niets ontziende spanning op te bouwen. De film zuigt zich vast aan een foute liefde tussen personages aan wie deze liefde misgund wordt, en die dan ook in een snijdende spanning en in de wrede akoestiek van een station zijn einde vindt. Hoe onnozel het verhaal met een vuiltje in het oog ook mag beginnen, het kleine onheil dendert in het groteske tweede pianoconcert van Rachmaninov de kijker tegemoet.

Ziedaar, mijn eerste kennismaking met Noël Coward, toen ik me als pril jongmens liet meeslepen door de film waarvan ik toen het slot nog niet kende. Pas vele jaren daarna ben ik meer van deze kunstenaar gaan zien, horen en begrijpen en kwam ik tot het besef dat een kunstenaar van zijn omvang alleen in dat rare land Groot-Brittannië tot wasdom kon komen. Het land waar kunst altijd een beetje anders zal zijn dan op het vaste continent.

Het land waar het sentiment nog niet door de intelligentsia naar de afvalverwerking gezonden is. Waar ieder jaar een Last Night of the Proms gehouden kan worden, alwaar heerlijke dwazen staande in de zaal mee staan te zingen en dirigeren bij Rule Brittania, en humor nog geen politiek statement hoeft te zijn.

Wij hebben de banaliteit van Paul de Leeuw, Freek de Jonge en Youp van ’t Hek. De Britten zochten het in het delicate sentiment en de beschaafde humor van Noël Coward.

En het was zijn London Pride dat ondanks dat de Stuka’s, de V1’s en V2’s het Britse volk terroriseerden, dat volk overeind hield. En daarom met hetzelfde sentiment door de acteur Jeremy Irons op de Last Night of the Proms gezongen werd. Want dat soort nationalisme weerstond het nationaalsocialisme, voor mocht iemand nog denken dat nationalisme net zo vies smaakt als Hitlers idioom.

Voor wie het nog niet wist, was Noël Coward de componist van songs die zijn befaamde operette Bitter Sweet wisten te overleven en die tot in lengten van dagen gezongen zullen worden omdat het sentiment nooit verdwijnen zal. Daarom is er een The Noël Coward Society door zijn bewonderaars opgericht. En ook daarom dat ik deze hommage niet aan de lezers onthouden kon.

september 12, 2013

Het Herabarium van Charlotte

Lionel Bloomsbury.

Nadat ze haar eerste plantje uit de bodem van het door etherische geuren beheerste bos getrokken had en de verfijnde nervatuur van de blaadjes bestudeerd had wist ze het zeker: dit zou het begin van een verzameling worden. Thuis, aan haar vertrouwde tafeltje voor het venster dat uitzag over de rivier die nu nog lieflijk kabbelde aan de oevers, maar in de herfst als een woesteling tekeer kon gaan, drapeerde ze haar eerste botanische prooien op de bladzijden van haar lievelingsboek. Daar, geklemd tussen de teksten die ze bijna uit haar hoofd kende, werden de plantjes geplet tot verdorde, eendimensionale fossielen.

Zo begon ze in haar kleine wereldje van iedere plant die ze vond er eentje te bezitten. Tot alle boeken van het boekenrekje met haar favoriete schrijvers en dichters botanisch geïllustreerd waren. Negen boeken vol met gedroogde plantjes die ze in één seizoen verzameld had.

Vanaf de vroege ochtend was haar schim nimfachtig vederlicht in het bos voor wie zich daar ook bevond te zien. Mystiek gebogen, de knieën in de smeuïge humuslaag gedrukt plukte ze de tere plantjes en bekeek ze die in haar tot kom gevormde handen alvorens ze in het botaniseertrommeltje aan het daglicht onttrokken werden.

Zodra de zon zich in alle hevigheid door het gebladerte brandde kwam ze overeind en keerde ze verlangend de prooi van die dag voor zich uit te stallen, huiswaarts.

Op de school, waar meisjes van haar leeftijd druk en spraakzaam waren, zat zij te mijmeren over haar laatste aanwinsten. Over de grillige vormen die sommige planten bezaten. Over de fragiele blaadjes die ze uit angst voor beschadiging nauwelijks durfde aan te raken. Over de sappige steeltjes die bij het minst geringste knijpen sappen verloren. Over de scherpe uitsteeksels die sommige planten als afweermechanismen in haar huid zetten.

Soms, als de zomer in botsing kwam met de kwade weergeesten en het onweer in lichtflitsen, brute slagregens en wuivende bomen over het bos tierde, kroop ze als een doorweekt vogeltje onder een voederbak voor wild weg tot haar uitgestoken hand geen regendruppels meer opving en ze schielijk als pasgeboren tevoorschijn kroop. Op die dagen waren de aanwinsten tot nog kostbaardere kleinodiën bijgezet in het graf van dode plantjes.

Tot ook de door haar zo gekoesterde roman Daniel Deronda van George Eliot, met de egocentrische Gwendolen Harleth, die ze diep verachte maar tegelijk ook haar heldin was, met fossielen bijgezet was.

Toen pas herrees ze uit haar gekweldheid die haar dat seizoen lang gedwongen had tot de tochten naar het bos. Haar missie was voltooid, alle soorten planten die in en rondom het bos te vinden waren had ze in de door haar geprezen romans en dichtbundels tot een troostend herbarium weten te brengen. En diep zuchtend was ze tot het oordeel gekomen dat ze de dode personages in haar boeken had weten te verenigen met de dode plantjes die ze in dat vochtige bos verzameld had.

Voor de spiegel had ze halfontbloot en met een gevoel te zegevieren over haar eigen verdorde ziel besloten dat ze nu pas echt zou gaan leven. Een zelfoverwinning die ze op haar knieën snuffelend in de geheime drankkast van haar moeder bekroonde met de vondst van een verborgen fles gin en het blikje Egyptische sigaretten.

Nooit meer zou ze romans en dichtbundels lezen maar zelf gaan schrijven. En mocht niemand ooit van haar gehoord hebben, haar romans of dichtbundels gelezen hebben, dan alleen maar omdat ze de volgende ochtend doodziek door haar moeder op de vloer gevonden werd die haar met thee en flinke tikken op haar wangen tot de werkelijkheid wist te terug te voeren. Want meisjes van haar leeftijd hebben soms de neiging hun grootse plannen net zo snel op te geven als ze ontstaan zijn.

Dat Hubert Stoneberg van het verlopen antiquariaat mopperend vanwege de vele vlekken van ingezogen plantensappen voor een prik haar negen boeken afnam, zodat Charlotte zich nog net kon permitteren een toegangskaartje voor Brief Encounter te kopen, maakte dat haar besluit vaststond dat ze actrice zou worden.

Dat ze ook dat niet werd kwam door het noodlottige toeval dat ze de volgende middag een warrige kantoorklerk tegen het lijf liep die heel veel leek op haar filmheld Trevor Howard, maar uiteindelijk een zatlap en een nietsnut bleek te zijn.

Maar daar kwam ze pas veel te laat achter. Toen waren al haar dromen al verzwolgen door een aartslelijk bestaan waarin geen plaats meer was voor de gedichten van Elizabeth Barrett Browning, die ze zo diep bewonderde dat ze ooit besloten had zichzelf martelend op de knieën in het bos, haar mooiste gedicht voor te dragen:

How do I love thee? Let me count the ways.

I love thee to the depth and breadth and height

My soul can reach, when feeling out of sight

For the ends of Being and ideal Grace.

I love thee to the level of everyday’s

Most quiet need, by sun and candle-light.

I love thee freely, as men strive for Right;

I love thee purely, as they turn from Praise.

I love thee with a passion put to use

In my old griefs, and with my childhood’s faith.

I love thee with a love I seemed to lose

With my lost saints, — I love thee with the breath,

Smiles, tears, of all my life! — and, if God choose,

I shall but love thee better after death.

Dat op die warme zondagochtend onder haar schorre declamatie de vogels verschrikt uit de toppen van de bomen wegvluchtten had ze kunnen opvatten als de fatale symboliek die haar lot bezegelen zou. Want hoe ze ook genoten had van haar dierbare boeken, het heeft niet kunnen voorkomen dat ze voor haar veertigste stierf aan een gebroken hart.

De negen boeken gingen ieder een eigen weg en wisten bevlekt de zielen van de lezers te bekoren. Maar toen was Charlotte allang dood, begraven en vergeten.

september 11, 2013

In 1939

Lionel Bloomsbury.

1.

Portia’s lippen krulden als bloemblaadjes in de hete zon zodra ze aan Imilia dacht. Aan haar oogopslag toen ze kletsnat op die regenachtige dag de lounge van het hotel binnenrende en het eerste oogcontact met haar had. Een ontmoeting die ze zichzelf verbood ooit te vergeten en die ze koesterde als haar eigen leven. Dat ze elkaar een jaar hadden geschreven in een knuffelend woordgebruik en een groeiende openhartigheid was meer het gevolg van Imilia’s extravertheid dan van haar eigen verlangen zich bloot te geven. Imilia was een en al vuur in haar gedrag en kon die schaarse keren dat ze elkaar ontmoetten geen moment haar mond houden. Alsof de angst voor stilte haar dwong tot de zalige expressie waarvan Portia vanaf het begin zo verrukt was. En weer was het eind augustus, zoals het ook eind augustus was op de regenachtige dag van de eerste ontmoeting met Emilia. Dat dwaze drukke kind, dat in Bournmouth was voor een masterclass door een plaatselijke pianogrootheid, maar zich ontpopte tot dartelende vlinder in aanstormende herfsttij.

Imilia’s grenzeloze opgewektheid was voor Portia die eerste bloem die in het vroege voorjaar opduikt terwijl eromheen alles nog in de verdorde staat van de winter verkeert. Het was dezelfde opgewektheid die ze in haar lange brieven uitte. Maar anders dan de augustusdag waarop het regende, brandde de middagzon Portia’s transpiratiedruppels tevoorschijn en probeerde ze die haastig met de manchet van haar blouse te deppen. Want toen ze ademloos de trap van het station van Wherton beklom klonk reeds het zware gehijg van de locomotief die Imilia tot haar zou brengen.

Ondanks de oorlogsstemming die al maanden heerste en een steeds beklemmender greep op de Engelse onverstoorbaarheid kreeg, leek het perron in een verregaande staat van eenzaamheid te verkeren. Een paar dametjes die in het pittoreske winkelstraatje van Wherton hadden gewinkeld en na een laatste slok thee richting huiswaarts togen, stonden met drukke gebaartjes elkaar te verdringen om als eerste de naderende trein in te gaan. Maar nog voordat de trein tot stilstand gekomen was en Portia naar adem snakte in de bittere kolenwalm, had ze Imilia’s wilde haren al uit de openslaande treinportier zien wapperen. En Portia voelde haar adem stokken, haar hart overslaan en zich bijna verstappen over een stapel kranten die nog met de trein mee moesten om het avondnieuws in de wijde omgeving te brengen.

Het was te verrukkelijk om te begrijpen hoe heerlijk het was Imilia’s ogen weer te zien schitteren na een jaar van brieven schrijven en het elkaar laagje voor laagje pellen tot er niets anders overbleef dan dat onbestendige gevoel van liefde die naar beantwoording snakte.

Maar was het niet egoïstisch in het naderende onheil van een oorlog in zo’n madeliefjesidylle te verdrinken en elkaar maandenlang laagje voor laagje binnen te dringen? En was het nog wel te snappen dat terwijl Europa in een oorlog dreigde te ontaarden en mensen in Duitsland in kampen verdwenen feeërieke openluchtrecitals bezocht werden met na afloop buffetten met champagne?

Maar toen Imilia wild uit de trein sprong kon Portia niets anders dan haar verlangend in haar armen sluiten en een zusterlijke kus op haar verhitte gezicht persen. En er was niets dat Imilia haar hier in de weg legde.

“Eindelijk dan,” probeerde Portia de gêne die na de kus begon te groeien te weerstaan. En ze keek Imilia recht in de ogen zoals ze die dagen in Bournmouth niet één keer gedurfd had.

“Ja, eindelijk dus. Hier ben ik dan,” schaterde Imilia zo luid met haar hoge stemmetje dat de bezwete kruier zijn zware last van schrik liet vallen en de jonge vrouwen met een genadeloos verwijtende blik bekeek. Want uitbundigheid werd in Wherton al lang niet meer gewaardeerd.

Nadat de Humber schokkend en kuchend opgetrokken was kon Portia nog maar net de bloemenstal die in eeuwige trouw voor het station stond ontwijken, de voorbijgangers in verbijstering hoofdschuddend achterlatend.

“Je zult moeten wennen aan de orde en tucht die hier heerst. Een glimlach is hier al een misdaad. In Wherton wordt zwaar geleden onder de toorn Gods.”

“Heerlijk om er tegenin te gaan. We laten ze zien dat er leven vóór de dood is,” zei Imilia, terwijl ze met haar lenige vingers onwaardig voor een aanstormende pianogrootheid op het dashboard van de Humber roffelde.”

“Spaar je vingers maar voor de Bösendorfer. Ik wil weer weg zwelgen bij Schumann.”

“Träumerei?”

“Ja, en daarna Der Dichter spricht. Beloofd?”

“Ik speel ze allemaal voor je.”

En Portia spoot in de extase die het vooruitzicht van het samenzijn met Imilia haar nú al schonk zo snel de bocht door dat zij en Imilia elkaar in een wilde botsing ontmoetten. Zo krachtig zelfs dat het op meer leek dan op alleen een toevallige aanraking.

2.

Als heksen brouwden ze in het piepkleine keukentje van de cottage de rokerige thee waar Portia zo dol op was en waar Imilia haar keel van moest schrapen. Het samenzijn voelde zo knus als oude dametjes die gevangen in zorgeloosheid bij het minst geringste bedroefd in kanten zakdoekjes snuffelen. Maar onder die oppervlakkigheid en de lichte onderwerpen die ze wisselden, groeide in Portia het verlangen Imilia te zeggen wat ze haar nooit kon zeggen. Wat ze in de inspannende briefwisseling met Imilia in cryptische omzwervingen gedwongen was te versluieren, kon ze nooit oog in oog aan haar openbaren. Rondom haar verlangen had zich een kluwen van ondoordringbare doorntakken gevlochten. Alleen met een pijnigende voorzichtigheid was die te doordringen.

De schijnbaar oppervlakkige kiekjes van uitstapjes die Portia van haar ontvangen had deden haar niet vermoeden dat Imilia haar slechts als die toevallige ontmoeting in Bournmouth zag. Welke jonge vrouw stuurt haar foto’s op aan een andere jonge vrouw zonder er iets meer mee te bedoelen dan haar anekdotisch te informeren? Die foto’s kregen dan ook de rol van relict toegewezen tussen alle andere kostbare herinneringen.

Toen Imilia eindelijk na eerst demonstratief aan haar vingers getrokken te hebben aan de Bösendorfer plaatsnam en Portia het waagde haar ogen van het dieprode velours van de pianokrukzitting te laten afdwalen naar haar kuiten waar die overgingen in haar knieholten, verdronk ze in zo veel schaamteloos verlangen dat ze het uit kon schreeuwen. Zo mooi ze daar zat, zo parmantig, zo oprecht naïef en vertederend als ze zich haar van Bournmouth herinnerde, zo wilde ze haar zeggen wat ze onmogelijk kon zeggen.

“Ik speel het dus uit m’n hoofd,” klonk Imilia alsof ze bang was te falen en daar al een excuus voor verzon.

En toen de eerste maten klonken en ze Imilia zag deinen in Schumanns bedwelmende sentimentaliteit, schoven haar de eerste beelden tegemoet van het bezoek dat ze samen gebracht hadden aan het graf van de schijfster Mary Shelley bij de Saint Peter’s Church. Hoe ze samen de lange trap beklommen naar de tombe en Portia zich volzoog aan de stemming van het moment. Het moment dat Imilia haar hand greep alsof ze samen een dierbare ten graven droegen en dat moment samen innig deelden.

De hoge statige bomen achter de tombe kleurden al in een herfstachtig verval en wat er al aan gebladerte gevallen was schonk een indringende geur van afsterving en rotting. Omgeven door zo veel dood stonden ze daar in vlagen wind en regen een weemoedigheid te delen die zich niet aan twee vrouwen van midden twintig zou moeten openbaren.

Imilia, ook al zat ze ingetogen te spelen, danste met haar schouders, armen en virtuoze vingers. En wanneer ze de pedalen beroerde werd het een mystiek ballet van zweven op de klanken van de hoogbejaarde Bösendorfer. In de kleine zitkamer klonk het overdadig en drong het in een oppermachtig timbre tot diep Portia’s lichaam binnen. Het voelde als een penetreren bij iedere dansbeweging die Imilia aan het klavier maakte. Het voelde als de seks tussen twee vrouwen die Portia nog nooit ondergaan had. Lispelend strelen, bij de tere hoge noten. Bonken en stampen als de noten uit het lage register kwamen.

De stilte die erna ontstond voelde als de rituele devotie die ze zich van haar kinderjaren in de kerk herinnerde nadat ze opeens in de openlucht stond en zich uit de trance van de liturgie moest bevrijden.

“Het was heel mooi,” zei Portia met een gortdroge keel van ontroering. En ze besefte hoe plat en aards die opmerking was bij alle emotie die het pianospel haar had ontlokt. Maar wat kon ze anders zeggen dan wat ze had gezegd? Vertellen over de zinnelijke extase die ze ondergaan had was net zo onmogelijk als zeggen dat ze van Imilia hield op een manier die haar nooit toegestaan zou zijn als Imilia die liefde niet beantwoorden zou. En zo stierf die dag in de gewone knusheid, want kon ze haar ooit vertellen wat ze voor haar voelde zonder dat Imilia dat verderfelijk zou vinden?

3.

De geurige moerasjes bij de ruïne van Thurstonfield waren voor Portia de heiligdommen waar ze zich in de tragische stilte van het alleen-zijn terugtrok. Daar ging ze met boeken en een strooien hoedje onder één van de wilgen zitten luisteren naar wat de stilte aan geluiden kon voortbrengen. Het diepe gezoem van zweefvliegen die met hun katachtige sprongen naar minieme insectjes doken. De oeverzwaluwen die met hoog krassende geluid tot diep in haar maag te voelen waren. De klaaglijke weemoedigheid van een miauwende buizerd die op warme dagen altijd hoger klom en cirkelend het landschap bespiedde.

Het waren de geheimen die ze voor het eerst aan een ander prijs wilde geven toen ze de tweede dag van het logeerpartijtje Imilia meevoerde naar haar heiligdommen. En Imilia was verrukt over zo veel stilte en landschappelijke schoonheid.

“Hier zit ik vaak,” zei Portia terwijl ze Imilia aan haar arm trok om haar te bewegen precies daar te gaan zitten waar ze zelf altijd zat.

“Hier heb ik het stuk over Mary Shelley geschreven. Tot in de schemering zat ik er mijn hoofd over te pijnigen.”

“Een heerlijk plekje. Zo beschut en aangenaam met dat zonnetje.”

Imilia ging naast Portia zitten, omsloot met haar armen haar ingetrokken benen en begon zwijgend om zich heen te kijken. Omhoog, naar het dak van loof waar door de gaten zonnestralen omlaag daalden die in het water een mystieke walm veroorzaakten. Voor zich uit, waar eenden, meerkoeten en waterhoentjes loom na een zwaar seizoen sporen trokken in het kroos. En toen opzij, naar Portia die op dat moment ook opzij keek. Dat moment van oogcontact in die stilte voelde voor Portia als een ontroerend hoogtepunt. Op die plek had ze, worstelend aan het artikel die de kans van haar leven was om een vaste aanstelling te krijgen bij de The Wherton Chronicle, zich diepzinnig aan de herinneringen aan Imilia gewijd.

“Eigenlijk besef ik dat ik je nooit ontmoet had zonder die opdracht. Is de gedachte niet vreselijk dat sommige dingen van zo ontzettend veel toeval afhankelijk zijn? Dat je maar zo weinig werkelijke invloed hebt op wat er met je gebeurt, vind ik soms echt pijnigend.”

“Je hebt die opdracht gekregen en je was in Bournmouth. Dat is het belangrijkste,” reageerde Imilia voor wie diepzinnigheid vooral de interpretatie van de tekens op een partituur was.

“Dat je hier nu bent had bijna niet kunnen gebeuren als George Livett niet op het zalige idee gekomen was een artikel over het leven van Mary Shelley te eisen. Waarom geen Jane Austen of Charlotte Brontë? Dan was ik niet in dat hotel in Bournmouth geweest. Dan had ik samen met saaie dagjesmensen oneerbiedig in het Winchester Cathedral over de grafsteen van Jane Austen gelopen. Het is beangstigd dat je levensloop zo afhankelijk is van toevalligheden.”

Imilia schoof in wat op een ongeduldig gebaar of pose leek haar kin over haar knieën.

“Als het altijd zo gaat is het toch normaal?” zei ze na een secondelang peinzend kijken over de plas die opeens weer tot leven leek te komen toen het silhouet van een roofvogel dreigend over cirkelde.

“Door ook zo’n toeval ga ik op tournee door Duitsland,” zei ze met net zo’n soort dreiging in haar stem als die de roofvogel onder de ongeruste watervogels veroorzaakte.

“Naar Duitsland! Dat meen je niet,” barstte Portia in oprechte verontwaardiging uit.

“Mijn moeder kent daar belangrijke mensen. Het is de kans van mijn leven.”

“En Hitler dan?”

“Ik maak muziek, geen politiek. Mams vindt dat het tournee door Duitsland goed voor mijn carrière is.”

“En als er oorlog uitbreekt?”

“Er komt echt geen oorlog. Ze zeggen al een tijd dat er oorlog komt, en nog steeds is het geen oorlog. Dat hebben ze ook afgesproken.”

“Ja, in München, bedoel je,” reageerde Portia met net iets te veel ironie in haar stem.

Een drietal dagpauwoogvlinders dartelden om elkaar heen, stegen in het zonlicht hoger en hoger tot ze stipjes werden en verdwenen. En alsof hiervan een diepe symbolische betekenis uitging lieten Portia en Emilia het onderwerp even rusten en schoven zich op hun rug, zich overgevend aan de indrukwekkendheid van de natuur die in de late augustuszon al een zwanenzang was begonnen.

4.

Na het ontbijt begon Imilia aan het zwijgzame ritueel van pakken en afscheid nemen. Pas nadat ze haar sobere koffertje op de gang gezet had kwam Portia tot ontwaken uit haar somberheid. Het gevoel afhankelijk te zijn van machten die buiten haar om haar levensloop bepaalden schonk de bitterheid die het afscheid alleen maar zou bemoeilijken. En het was zelfs zo dat ze zoals ze zich nu voelde bedacht dat het beter geweest zou zijn als ze Imilia nooit ontmoet had. Maar in het halfduister van de gang zag Imilia er zo verloren uit dat Portia zich door schuldgevoel overladen voelde. En was het niet dat valse kreng die haar moeder toch was, die dit allemaal veroorzaakt had? Zoals ze Imilia in het hotel in Bournmouth als een waakhond belegerde en haar geen moment rust gunde. Zelfs tijdens het op adem komen bij een kop thee kroop ze venijnig als een wurgslag de lounge binnen om Imilia aan zich te onderwerpen en haar moreel te chanteren met een tirade over hoe ze zich opofferde voor haar carrière als concertpianiste.

Nog de avond voor haar vertrek had Imilia bij een glas sherry nog eens uitgelegd dat het tournee door Duitsland beslist niet gevaarlijk zou zijn. Haar moeder had invloedrijke vrienden die weer invloedrijke contacten in Duitsland hadden. Maar over wie die invloedrijke contacten waren liet ze Portia in het ongewisse.

“Zodra ik in Baden-Baden ben schrijf ik je een lange brief. En ik schrijf je dan naar welk hotel je mij kan schrijven. Ik weet dan meer over de route van het tournee.”

En Portia voelde het genot van het zien van Imilia’s optimisme wegebben in een akelig voorgevoel dat vanaf dat moment alleen maar toenam.

In de Humber naar het afscheid op het station dat als een executie voelde heerste een gevoelige stilte die pas onderbroken werd toen ze stuitten op een ongewoon grote hoeveelheid militairen die in zware bepakking aan de wegkant bivakkeerden en kennelijk op een marsorder wachtten. Het voelde als een slecht voorteken dat Imilia zwijgzaam ontweek.

“Er hangt echt iets in de lucht,” zei Portia zo zacht mogelijk omdat ze wist dat Imilia onvermurwbaar zou reageren als ze weer zou pogen haar van het tournee af te houden. En nu ze wist dat het niet Imilia maar haar moeder was die hier bepalend was, kon ze haar niet nog langer pijnigen met het aansporen van de onzekerheid waaronder ze gebukt ging.

Zelfs voor het anders zo verlaten station van Wherton stonden militairen te wachten. Er hing een penetrante geur van tabak en mannenzweet. Zo moet de angst geroken hebben die Portia’s vader met het 4e Regiment Karabiniers aan de vooravond van het bloedbad van Passchendaele opgesnoven had.

Het voelde eng toen ze met Imilia de zich geruisloos openende poort van militairen doorging en er van de troep slechts gedempte opmerkingen klonken waar normaal op vingers gefloten zou zijn en het vunzige opmerkingen geregend zou hebben. Zoals vogels onheilsverwachtingen in hun gedrag vertalen, zo leken de militairen in een stemming van terneergeslagenheid verzonken te zijn. Desondanks bleef imilia een opgewektheid veinzen, zoals ze daar met korte snelle pasjes over het perron liep dat voor Portia het schavot was. De geladenheid draaide messcherp in haar lichaam tot de metalige stem uit de stationsluidspreker een uitstel van de executie van een half uur aankondigde.

“Er is nog tijd voor thee,” zei Portia en ze troonde Imilia bijna met geweld aan de arm mee naar de stationsrestauratie waar het blauw zag van de sigarettenwalm. Ze wrongen zich door het kluwen van militairen om een rustig plekje te zoeken waar ze het laatste moment van hun samenzijn ongestoord konden delen.

Imilia sleepte moedig haar koffertje met zich mee en zette die veilig weg onder de enige nog onbezette tafel. Daar bleven ze in de magie van de wegtikkende seconden boven de dampende thee hangen, zwijgzaam wachtend om elkaar het belangrijkste in de laatste seconden toe te vertrouwen. Tot de trein het station binnenreed en de stationsrestauratie in een explosie van kabaal en geweld leegstroomde. Daar, in de verwarring van die mensenmassa, liet imilia haar koffertje vallen en greep ze Portia wild beet. De kus op haar mond voelde bijna kwaad en gewelddadig. Alsof ze in een impuls begreep wat ze aanrichtte met haar vertrek uit Portia’s leven. Maar misschien was het haar manier om Portia te vertellen dat ze van haar hield.

Nadat ze zich met moeite een coupé binnen had gevochten en plekje bij het raam had weten te veroveren om nog op een laatste oogcontact met Portia te hopen, probeerde Imilia met een hopeloze poging het kiepvenster in het raam open te krijgen. Haar bleke handen die woedend rukten aan de grendel, haar machteloze gelaatsuitdrukking en de lippen die bewogen alsof ze iets riep, zou Portia nooit meer uit haar herinnering wissen.

Toen de trein hijgend vertrok en Portia de resten van Imilia’s hopeloze gezicht zag oplossen in de grauwe chaos van de coupé, wist ze dat dat de allerlaatste keer was dat ze haar zien zou. Alsof ze toen al voorvoelde dat die lange brief uit Baden-Baden haar nooit zou bereiken omdat op dat moment de oorlog al uitgebroken was.